
|
Jura
|
Oktober 1999
|
|
Van Montbéliard
naar Morez
|
|
Uitwaaien...
Wandelen is ontsnappen. Voor je vertrekt, dicht je je onbegrensd fysieke
eigenschappen toe, alsof je slechts je zintuigen op reis stuurt en je
fysieke delen thuis laat. Eindeloos wandelen en uitwaaien, voor dag
en dauw op pad en pas weer stoppen als de zon achter de horizon is verdwenen.
... in de Jura
In extreme mate had ik zin om deze drang te verwezenlijken. De nachttrein
naar Parijs en aansluitend de trein naar Montbeliard bracht me, tussen
leesboek en opkijken, vooral ongeordende gedachten. Kale heuvels, waar
kortgeleden het graan rijpte, lagen er grauw bij. Montbéliard
- de stad van Peugeot - was grijs en saai. De zon had een neiging om
door te breken maar het schelle licht van het wolkendek, in combinatie
met de lange reis, bezorgde me voorlopig alleen maar hoofdpijn.
|
 |
 |
Inhoudsopgave:
|
Enige praktische zaken:
|
De Wandeling:
|
Topoguide 
De FFRP topoguide voor dit gebied heet "Lacs et plateaux du Jura, Gorges
du Doubs", referentie nummer 511. Dit gidsje beschrijft de GR 5 van Nommay
tot Nyon, en de GR de Pays "Tour du pays de Montbéliard".
Kaarten 
Als je naast de topoguide ook kaarten wil meenemen, heb je verschillende
opties:
- Het IGN brengt drie kaarten uit voor
de Jura: "Le Doubs, massif du Jura". Schaal is 1:50.000. Aan kaarten
twee en drie heb je voldoende. het zuidelijke deel van de route, onder Chapelle-des-Bois,
ontbreekt echter.
- Het IGN brengt ook twee winterkaarten
uit: "Le Massif du Jura, pays du ski de fond", welke verder zuidwaarts
reiken dan bovenstaande zomerkaarten. Schaal is 1:50.000.
- Er zijn twee 1:100.000 kaarten: 31 en 38.
- Tenslotte kan je ook de reguliere 1:25.000 kaarten nemen ("bleue"),
waar alle paden op staan. De nummers: 3522E, 3622O, 3523O, 3523E, 3524O,
3524E, 3424E, 3425E, 3426O, 3426E, 3326E en 3327E.
Overnachtingen 
Overnachtingsmogelijkheden zijn beperkt buiten het seizoen. Als je
slim bent neem je een tent mee. Dan ben je van niets en niemand afhankelijk.
Hier en daar zijn wat abri's te vinden, en dan heb je ook plezier van
een goede slaapzak. Die abri's vind je langs de Doubs en in het Parc
Naturel Régional du Haut-Jura.
Buiten het seizoen is de kans groot dat gîtes én hotels
gesloten zijn. Ik heb vrijwel alle avonden kilometers moeten omlopen
omdat de geplande gîte dicht was. Dat is knap klote, om zeven
uur 's avonds. Ik ben nog steeds pissig op die eigenaars die kennelijk
alleen de tent openhouden als ze maaltijden kunnen verkopen.
Verder moet je maar het gidsje van de FFRP (zie hierboven) er op na
slaan. Daar staan ze allemaal in, inclusief telefoonnummers en adressen.
Let op: de gîte bij Le Pissoux (in de buurt van Villers-le-Lac)
bestaat niet meer.
Behalve de gîtes d'étappe die zijn genoemd in het FFRP
gidsje, zijn er nog de nodige gîtes rurale. Zij zullen je echter
doorgaans niet voor één nacht opnemen.
|
 |
Levensmiddelen 
Het is niet zo moeilijk om winkels en levensmiddelen te vinden onderweg.
Je hoeft er niet voor om te lopen.
Links 
Een zoektocht in de Trail Database
levert het volgende op:
Moeilijkheden 
Tussen november en april moet je niet in de hoge delen van de Jura komen.
Dan ligt er sneeuw en is het een prima tijd voor langlaufen. Overigens, in
koude winters ligt ook lagerop (onder de 1000 meter) sneeuw.
Kaart van de GR5 in de Jura (klik op de
blauwe punten)
|
De
wandeling 
|
|
Dag 1: Dasle - Chamesol

|
Dasle: ik stapte de bus uit, zwaaide de rugzak
om en liep door het dorpje Dasle, onder de rook van de Peugeot fabrieken.
|
De eerste stappen voelden als een bevrijding, duf en dronken van de bus die
eindeloos door buitenwijken kronkelde en weg van het asfalt, de heuvels in.
Het land leek op de Vogezen, niet ver hier vandaan, vanwege de fruitbomen rondom
de dorpen, de beukenbossen en de omvang en vorm van de boerderijen.
|
Bijzondere rotsformaties herrinneren ook aan de Vogezen: Le Pont Sarrazin,
een natuurlijke boog in de kalksteen.
De zon liet zich voor het eerst zien toen ik het bos verliet en een dorpje
binnenliep, Abbévillers, waar ik mij wat rust gunde en een cola
nam in een café waar jongens hun brommers voor de open deuren showden.
Zon overheerste nu, laat in de middag, laag boven de horizon. Het pad
volgde kilometers lang de Zwitsers-franse grens, die op een graat liep
met aan weerszijden beuke- en dennebos.
|
 |
|
Ik telde de grenspalen, sommigen nog uit de tijd van Napoleon. Ver achter het
zacht glooiende land verdween definitief Montbéliard en daarmee de drukte.
Het werd laat en ik liep het dorpje Villars-lès-Blamont binnen, maar
liep na wat getreuzel en ronddraaien op het pleintje toch door. Weldra werd
het donker en begon het zacht te regenen. In de verte zag ik lichten van dorpjes.
Ik slenterde over een slecht zichtbaar bospad en raakte op een gegeven moment
de weg kwijt, maar bereikte toch vrij snel - vraag me niet hoe - het dorpje
Chamesol, met, volgens mijn gidsje, overnachtingsmogelijkheden. Het café-restaurant
was helaas vol. Maar men verwees me door naar een soort gîte rurale in
het dorp.
|
Dag 2: Chamesol - Goumois

|
Je moet je voorstellen dat de heuvels in dit
deel van de Jura nog vrij klein zijn, mooi rond, dicht begroeid met loofbos.
Vooral langs de beken, in de dalen, vind je grasland. Mijn wandeling deze
dag ging voor driekwart door deze bossen en schampte zo nu en dan langs
velden. Af en toe liep ik een dorpje binnen. |
Twee dingen: het was zondag, en het regende. Het eerste betekende hier in Frankrijk,
in dit seizoen, dat de mannelijke bevolking zich in de bossen begeeft met honden
en geweren om hun zwaar bevochten recht uit te oefenen, die van de jacht. Het
tweede, de regen, deerde me weinig, aangezien ik voor mijn vertrek eens diep
in de geldbuidel had getast en een lang gekoesterde wens - een goretex jas -
had aangeschaft. Ik bleef droog en zweette me evenmin te pletter. Nuttige tip:
neem op dit soort wandelingen in ieder geval een paraplu mee, echt handig zolang
je niet over winderige hoogvlakten of bergkammen wandelt.
Ik banjerde over wat weitjes. Afgezien van twee langsscheurende brandweerauto's
was er weinig te beleven. In het bos liep ik de eerste jagers tegen het lijf,
die mij ongevraagd uitlegden waarop zij jacht maakten: hazen. Kwam me niet erg
geloofwaardig voor in het bos. Later kreeg ik te maken met vervelende honden.
Nog een tip: als je een bijtgrage hond tegenkomt, pak dan een steen van de grond.
Alleen al het gebaar van gooien houdt hen op afstand.
| |
 |
Bij het plaatsje Soulce-Cernay zag ik voor het eerst de rivier de Doubs,
die op deze plaats tamelijk tam door de groene heuvels slingert. De Doubs
is de rode draad van deze wandeling door de Jura. Mijn pad vervolgde door
bossen en over weiden, omhoog en omlaag, en passeerde enkele malen een duf
dorpje. Tegen het eind van de middag brak kortstondig de zon door. Aan de
overzijde van de Doubs, Zwitserland, zette deze de enigszins kleurende loofbossen
in een fel licht. Ik daalde de laatste kilometers voor vandaag af naar het
grensplaatsje Goumois, waar, in tegenstelling tot de rest van de dag, wat
leven heerstte. Zelfs was er een winkel open en een enkele auto passeerde
de brug naar Zwitserland. |
|
Het draaide er op uit dat ik naar Zwitserland moest om een overnachtingsplek
te vinden. De gîte d'étappe in het Franse deel was namelijk
dicht. De Zwitserse douane overhandigden mij tegen de som van 10 Zwitserse
franc een sleutel van een atoomschuilkelder (zie foto) die de Zwitserse
gemeenschap een half miljoen franc had gekost en die bij het uitblijven
van het bedoelde gebruik nuttig werd gemaakt voor wandelaars. Ik kan niet
zeggen dat het gezellig was, maar wel buitengewoon veilig achter vijftig
centimeter beton. Het betere leven was op korte afstand te vinden, het
café bij de brug, voor een glaasje wijn.
|
 |
|
|
Dag 3: Goumois - le Pissoux

|
Het boos rook deze derde dag fris en vochtig. De damp van de bruisende
rivier kolkte omhoog naar de onbewolkte hemel. Een veelbelovend begin
van de dag. Maar de nevel pakte al snel samen en ik was Goumois nog niet
uit of het begon te miezeren, het begin van een overwegend natte dag,
wat een extra accent gaf aan de ruige etappe langs de wilde rivier die
zou volgen.
Aan de Franse zijde van de Doubs liep een weg die overging in een pad.
Het pad klom soms iets omhoog, liep dan weer tegen het water aan. Gaandeweg
vernauwde de kloof waardoor de rivier stroomde zich. Er doken rotswanden
op langs de oevers en na enkele uren lopen bereikte ik de Echelles de
la Mort, een rotsformatie waar de wandelaar langs drie stalen ladders
naar de bodem van het dal moet klauteren.
Kilometers lang volgde ik de rivier stroomopwaarts, tot het water zich
verbreedde en zich een meer vormde. Aan de Zwitserse zijde ontvouwde zich
nu een pastoraal landschap. Ik hoorde koeienbellen, en zag een weide die
zacht afhelde naar het meer. Over het spiegelende water gleden enkele
zwanen. Warempel, de zon scheen even.
|
 |
|
Ik liet mij verleiden een stuk om te lopen naar een restaurant aan dit
water, maar dit bleek gesloten. Vervolgens maakt een stortbui een einde
aan de rust. En dus liep ik weer uren langs de oever van de Doubs, in
de regen, met een korte onderbreking in een somber, Duits aandoend hotel
waar verder geen mens verbleef. Het ravijn versmalde zich, en de rivier
kolkte met toenemend geweld door de nauwe bedding, tot aan een enorme,
grommende elektriciteitscentrale, waarboven van de rivier niets meer overbleef
dan een zielig stroompje.
Het begon donker te worden. Over een asfaltweg klom ik uit het dal, naar
het plaatsje Le Pissoux, waar het donker was toen ik binnenliep en in
het eerste café informeerde naar de gîte d'étappe.
|
 |
 |
Pech, de gîte bleek opgeheven te zijn. Ik moest in het donker een
uur wandelen naar Le Grand Cerneux, een boerderij hogerop, waar je scheen
te kunnen overnachten. Achterdochtig vroeg ik nog in het café: bent
u daar zeker van? Ja, geen twijfel. Dus liep ik inmiddels in de sneeuw over
een aardedonkere weg naar een onzichtbare boerderij die bij aankomst zo
verlaten bleek te zijn als Nova Zembla in de winter. Een paar honderd meter
verderop was een lichtje zichtbaar van een boerderij. Een man verliet net
het huis en gaf me een lift naar een dorpje in de buurt, naar een gîte
waar ik een comfortabele kamer kreeg. Ik was redelijk uitgeput en had het
zelfs na een hete douche van een half uur nog koud. |
|
Dag 4: Le Pissoux - Le Grand
Mont 
|
 |
|
De eigenaar van de gîte bracht me terug naar de Doubs. Daar lag
een langgerekt stuwmeer met aan het eind een aantal hotel-restaurants,
waar in dit jaargetij geen sterveling te vinden was. Een stukje stroomafwaarts
verdween de Doubs in een diep gat, le Saut du Doubs. Met al het water
van de laatste dagen was de rivier geweldig gezwollen, en met groot geweld
stortte hij in de diepte. Ik keek van boven neer op de niet tot rust komende
schuimende watermassa.
Ik keerde terug op mijn schreden. De weg klom omhoog tot zich een fraai
panorama opende op het meer, verscholen tussen beboste oevers. Over een
asfalt weg ging het verder naar Villers-le-Lac, een plaatsje met een verzorgende
functie voor de regio. Van hier loopt een spoorlijn naar Besançon
en aan de Zwitserland zijde naar le Locle.
|
 |
Over het spiegelende asfalt verliet ik Villers-le-Lac en hier begon een
andere Jura. De Doubs, aan zijn bovenloop een tamme rivier, verliet ik
en het pad voerde me naar de hoge, uitgestrekte delen van de Jura. De
heuvels veranderden van bulten in lange, traag glooiende kammen. Hier
wisselden bos, kolosale zwarte sparren, en weide elkaar af. Aan de Zwitserse
kant zag het er in de regel wat netter uit dan aan de Franse kant.
Mist en sneeuw wisselden elkaar af. Op een kale akker schoot een kudde
herten voor mij weg. Aardig was het grensplaatsje le Gardot, waar ik kon
kiezen tussen een Frans of een Zwitsers café. Ik koos het laatste.
Daarbinnen zaten Frans sprekende mensen een kaartspel te spelen waarbij
zij Duitse termen bezigden.
|
Het pad bleef dicht bij de Frans-Zwitserse grens lopen, zonder veel te stijgen
of dalen. Forse boerderijen hier, zoals Le Vieux Châteleu, door een verder
leeg landschap van bossen en weiden. Aan het einde van de middag liep ik het
dorpje Le Grand Mont binnen. Ik zal jullie het complete verhaal besparen, maar
de gîte d'étappe was dus alweer gesloten - hoe kan het ook anders
- de eigenaars zaten in Parijs. Ik ben nog een kilometer of wat terug gelopen
om uiteindelijk toch terug te keren in le Grand Mont en na veel zeuren een plaats
te krijgen in een gîte rurale. Het was dus weer donker. Nu hou ik best
van lange wandelingen, maar er zijn grenzen.
|
Dag 5: Le Grand Mont - Les
Granges Bailly 
|
 |
|
De nacht betekende een omwenteling op deze tocht, want na drie miezerige
dagen volgden er even zoveel rustige zonnige herfstdagen. Het landschap
veranderde daarmee totaal.
Ik liep het slapende dorp uit. De weiden waren berijpt, groenig blauw,
de lucht vrieskou. Een fijne mist steeg op uit de bossen en bleef als
vitrage voor de bomen hangen. Het zonlicht raakte de eerste heuveltoppen.
Dat was toch wel even iets heel anders, eindelijk. Ik wandelde vanaf vandaag
door een andere Jura, uitbundiger, kleuriger. Het was ook alsof er meer
dierenleven was om mij heen.
Het pad volgde nog steeds nauwgezet de grens met Zwitserland. Af en toe
trof ik een oude boerderij, maar geen volk.
|
 |
Na de bossen volgde het pad een ondiep dal, met weiden en dorpen aan
weerszijden. Na opnieuw een gebied met dichte bossen te zijn gepasseerd,
liep ik in een volgend, stil dal, met een enkele boerderij en verder geen
leven. Het uitzicht groeide als het pad omhoog kronkelde, totdat een brede
vallei zich onder mij opende, met onder mij de Doubs andermaal.
Van hier zag ik uit over het Château de Joux, hoog boven de rivierbedding,
een kasteel volgens de boekjes. Vanaf de muren van het Fort du Larmont
Inférieur heb je een mooi uitzicht over het kasteel, het stadje
in de diepte, en de drukke verkeersweg die zich in een rechte lijn naar
het zuiden begeeft.
|
|
Het pad daalde het dal in, naar het plaatsje, le Frambourg, en klom aan
de andere zijde van de vallei de heuvels in, langs een gehucht, en door
het bos. Vanaf de Roche Sarrasine keek ik terug op het gehucht temidden
van hel verlicht grasland waar juist de zon op viel tussen enkele wolken
door. Op mijn laatste benen slofte ik over een vlakke weg naar Les Fourgs.
De zon kleurde het land inmiddels rood.
Het zal geen verbazing wekken als ik zeg dat de gîte d'étappe
in dit plaatsje gesloten was. Langzamerhand ging ik ernstig twijfelen
aan de formule. Die gîtes behoren toch 365 dagen per jaar open te
zijn? Waarom heeft de overheid er anders geld in gestopt?
|
 |
 |
Ik kreeg gelukkig raad van een lokale burger die me bovendien een stukje
op weg bracht naar les Granges Bailly, een gîte. De eigenaar was
thuis. Hij bouwde aan een reusachtige schuur. Binnen op de keukentafel
lagen de tekeningen uitgestald. Zelf gemaakt, vertelde hij me. Bouwen
deed hij alleen. Hulp had hij alleen nodig bij de zware balken. Terwijl
ik mij het gemakkelijk maakte in de keuken, ging voortdurend de telefoon.
"Laat maar gaan", zei hij alleen, en pakte niet op. Aardige
gozer; doe hem de groeten als je langs komt.
|
|
Dag 6: Les Granges Bailly
- Mouthe 
|
 |
|
|
"Ik kom in de winter terug, op ski's", beloofde ik de patron.
Het was een vrieskoude ochtend, en ik wandelde over de grazige vlakte
naar Les Fourgs, dezelfde weg die ik gisteren had afgelegd. Vanuit de
verte was het kapelletje al zichtbaar waar ik even later langs omhoog
klom. Tussen de bossen en boven het grasland hing een zachte mist.
|
|
 |
Minder interessant was Les Hôpitaux-Neufs, een plaats waar zwaar
verkeer doorheen raasde. Het ligt aan de voet van de Mont d'Or, een berg
van 1461 meter. De klim naar de top werd zoals gebruikelijk in Frankrijk
ontsierd door ski-pistes, kabelbanen, en tegenwoordig ook allerlei kunstwerken
voor ATB's en Joost mag weten wat. Maar deze dissonant werd ruimschoots
goed gemaakt door het overweldigende uitzicht over de Zwitserse laagvlakte,
die onder een dikke witte mist verborgen ging, waarboven, ver weg, het hoogste
deel van de Alpen uitstak. Met behulp van een oriëntatie tafel lukte
het me om de Mont Blanc te onderscheiden, alsmede de Jungfrau waar ik een
aantal jaren terug op gestaan heb en deze kant op heb gekeken zonder te
weten dat ik ooit terug zou kijken. |
|
De Mont d'Or is een lange kam, steile aan de oostzijde, glooiend naar
het westen. In dit hoge terrein, het hoogste deel van de Jura, liggen
lage, karakteristieke zomerboerderijen, sommigen omgevormd tot hotel-restaurant.
Het roodbontvee graast hier tussen rommelige bossen en wat loofbomen.
Voor het eerst waren er meer wandelaars. Langzaam daalde het pad; weide
maakte plaats voor bos. Uren later bereikte het pad het dal, precies daar
waar de Doubs uit de bergen ontspringt. Een bron kan je het niet noemen:
hier klatert een complete rivier recht uit de berg.
De zon ging onder. Langs de rustig kabbelende rivier liep ik de laatste
kilometers naar Mouthe. Dit keer geen probleem met overnachten: ik nam
de eerste de beste kamer in het eerste het beste hotel.
|
 |
|
Dag 7: Mouthe - Bois d'Amont

|
Mouthe lag nog in de schaduw van de omringende heuvels toen ik vertrok.
Het pad volgde deels de berijpte weiden, en liep voor het overige door
nogal modderig bos.
In het plaatsje Chaux-neuve stond de deur van het café uitnodigend
open. De zon viel op de stenen vloer, de waardin veegde deze aan, de krant
klaar lag op een van de ronde tafeltjes. Café crème met
een croissantje dus, nietwaar? Even het gevoel om in Parijs te zitten.
Vandaar volgde het pad nog een tijdje de graslanden - ik stuitte op twee
spelende vossen - en boog tenslotte naar het zuiden af waar het de dichte
bossen inging. Hier eindelijk begon het Parc Naturel Régional du
Haut-Jura. Een ding begrijp ik niet: waarom noemt men dit een beschermd
gebied? De jacht en de kap van hout is gewoon toegestaan!
|
 |
|
En dan klagen ze dat het regionale symbool, de Auerhoen, of Grand Tétras
zoals ze hem hier noemen, op een haar na uitgestorven is. Een klein deel
van het park is verboden terrein voor jagers en houthakkers.
Na een paar uur bereikte ik Chapelle-des-Bois, een touristisch plaatsje
dat echter uitgestorven leek in deze oktobermaand. Voorbij het dorp klom
het pad langs een steile kalkwand omhoog, tot zich een mooi uitzicht ontvouwde
op het dorp, de graslanden eromheen die deels verwilderden, en de meren
in de verte. Hier trof ik dan eindelijk de Auerhoen, een tweetal wijfjes
die uit een boom opvlogen toen ik daar langs liep.
|
 |
 |
En ik ontmoette er warempel twee wandelaars met rugzakken. Het kon niet
anders of het waren Nederlanders.
Ik boog nu van de GR5 af, en hield oostelijker aan, richting Bois d'Amont,
door uitgestrekte bossen, in de hoop te kunnen overnachten in Chalet Gaillard.
Helaas, deze gîte, mooi gelegen in de fraaiste bossen die de Jura
te bieden heeft, was wel open, maar al volgeboekt. Het zat niet mee. Dan
maar verder, door de nog steeds dichte bossen, tot aan een smal dal waar
Bois d'Amont in ligt, een stevige plaats, een doorgangsroute voor noordelijk
gelegen Zwitserse steden en meren. Hier overnachte ik voor het eerst in
een gîte.
|
|
Dag 8: Bois d'Amont - Morez

|
 |
|
De laatste dag van mijn wandeling toog ik terug de bossen in die het
Parc Régional vormen. Jagers waren weer druk bezig, net als aan
het begin van mijn wandeling. Helaas was het weer omgeslagen. Het miezerde
licht. Om het verhaal kort te houden: ik zocht mijn eigen route door de
uitgestrekte bossen, tot aan Bellefontaine, waarna ik over landelijke
wegen Morez bereikte, vroeg in de middag. Juist op het moment dat ik het
station binnenwandelde stond daar de trein gereed die mij terugbracht
naar Besançon en Dijon. Ik had gelegenheid om Dijon te bezoeken
en nam s'avonds de TGV naar Parijs en aansluitend de slaaptrein naar Nederland.
C'est ça.
|
Henk Nouws - April 2000
